Ministers zien bedrijfsartsentekort niet als probleem

Begin dit jaar kaartte de NVAB het bedrijfsartsentekort aan in de politiek. In mijn vorige column stelde ik een aantal kritische vragen bij dat veronderstelde tekort. Recent hebben de ministers van SZW en VWS gereageerd op de kamervragen van Groenlinks. Het antwoord is kraakhelder: de ministers zien geen tekort, geen reden om de opleiding van bedrijfsarts te financieren, geen reden om de bedrijfsarts uit de zorgverzekering te financieren. Sterker nog, zij blijken ook weinig oog te hebben voor het door de NVAB geclaimde primaat op preventie en verzuimbegeleiding.


Zij wijzen op de kennis en kunde van andere professionals en de verantwoordelijkheden van werknemers en werkgevers.
Hiermee wordt het beleid van de laatste jaren doorgetrokken. Wel is er oog voor een betere borging voor privacy en onafhankelijkheid, een logische reactie op de Zembla-uitzendingen in 2012.

De uitspraken van de bewindslieden zijn opvallend. Deels omdat zij voorbij lijken te gaan aan het laatste SER-advies en het Astri rapport van 2011. Daarin zijn aanbevelingen opgenomen om de toegankelijkheid van de bedrijfsarts te verbeteren door onder andere het open arbospreekuur weer in de wet op te nemen.

Zij geven duidelijk aan dat nieuwe regelgeving hier geen prioriteit heeft. Zij spelen de bal terug aan de sociale partners. Oftewel aan werknemers en management op bedrijfsniveau, die dit moeten regelen binnen de kaders van bestaande wetgeving zoals de maatwerkregeling van de nieuwe Arbowet van 2005. Dit is een duidelijke aanwijzing dat de bewindslieden de verantwoordelijkheid voor arbo, verzuim en preventie bij werknemer en werkgever blijven neerleggen.

Het signaal dat de beide ministers hiermee afgeven geeft wel te denken.
Bedrijfsartsen zullen er wellicht rekening mee moeten houden dat hun toegevoegde waarde niet langer aan wettelijke bescherming gekoppeld zal worden, maar aan effectiviteit voor werknemer en werkgever, maar ook verzekeraars en UWV.
En die dingen hangen nu eenmaal met elkaar samen.
Bij de NVAB lijkt de tijd rijp geworden voor een strategische heroriëntatie!

Reijer Pille, directeur Falke & Verbaan

Falke & Verbaan partner van het Nationaal Inzetbaarheidsplan

Sinds eind 2012 is Falke & Verbaan partner van het Nationaal InzetbaarheidsPlan (NIP).

Falke & Verbaan adviseert organisaties hoe zij de duurzame inzetbaarheid van medewerkers op peil kunnen brengen en/of houden, ook bij een vergrijzend personeelsbestand. In al haar activiteiten stelt Falke & Verbaan de eigen verantwoordelijkheid van medewerkers en sturen op gedrag centraal. Eén van de instrumenten die zij hierbij kan inzetten is de Duurzame InzetbaarheidsindeX (DIX) van het Nationaal InzetbaarheidsPlan (NIP).


Nationaal Inzetbaarheidsplan
Het Nationaal Inzetbaarheidsplan is een initiatief van de Stichting Kroon op het Werk, TNO Innovation for life en Werk Van Nu. Het Nationaal Inzetbaarheidsplan ondersteunt bedrijven bij het verbeteren van de duurzame inzetbaarheid van hun medewerkers. Organisaties kiezen voor de uitvoering zelf de partner die bij hen past. De ervaring die partners met het Nationaal Inzetbaarheidsplan opdoen worden gebruikt voor onderzoek en verbetering van het programma. Zo leert de praktijk ons welke interventies het meeste effect hebben.

Gevalideerde instrumenten
In het Nationaal Inzetbaarheidsplan wordt gebruik gemaakt van gevalideerde instrumenten:

  • De bedrijfscan helpt u bij het maken van keuzes om duurzame inzetbaarheid te faciliteren en stimuleren.
  • Met de Duurzame Inzetbaarheids Index (DIX) krijgen werknemers zicht op hun eigen inzetbaarheid. Via een stappenplan werken ze aan hun eigen inzetbaarheid. Een groepsrapportage geeft inzicht op verbeterpunten op organisatieniveau.

Naast het instrumentarium biedt het portaal van het Nationaal Inzetbaarheidsplan werknemers de mogelijkheid voor online coaching.

Meer weten?
Meer informatie over het Nationaal Inzetbaarbeidsplan vindt u hier.
Voor meer informatie over de visie en overige dienstverlening van Falke & Verbaan op gebied van duurzame inzetbaarheid: klik hier.

Falke & Verbaan partner van het Nationaal Inzetbaarheidsplan

Sinds eind 2012 is Falke & Verbaan partner van het Nationaal InzetbaarheidsPlan (NIP).

Falke & Verbaan adviseert organisaties hoe zij de duurzame inzetbaarheid van medewerkers op peil kunnen brengen en/of houden, ook bij een vergrijzend personeelsbestand. In al haar activiteiten stelt Falke & Verbaan de eigen verantwoordelijkheid van medewerkers en sturen op gedrag centraal. Eén van de instrumenten die zij hierbij kan inzetten is de Duurzame InzetbaarheidsindeX (DIX) van het Nationaal InzetbaarheidsPlan (NIP).


Nationaal Inzetbaarheidsplan
Het Nationaal Inzetbaarheidsplan is een initiatief van de Stichting Kroon op het Werk, TNO Innovation for life en Werk Van Nu. Het Nationaal Inzetbaarheidsplan ondersteunt bedrijven bij het verbeteren van de duurzame inzetbaarheid van hun medewerkers. Organisaties kiezen voor de uitvoering zelf de partner die bij hen past. De ervaring die partners met het Nationaal Inzetbaarheidsplan opdoen worden gebruikt voor onderzoek en verbetering van het programma. Zo leert de praktijk ons welke interventies het meeste effect hebben.

Gevalideerde instrumenten
In het Nationaal Inzetbaarheidsplan wordt gebruik gemaakt van gevalideerde instrumenten:

  • De bedrijfscan helpt u bij het maken van keuzes om duurzame inzetbaarheid te faciliteren en stimuleren.
  • Met de Duurzame Inzetbaarheids Index (DIX) krijgen werknemers zicht op hun eigen inzetbaarheid. Via een stappenplan werken ze aan hun eigen inzetbaarheid. Een groepsrapportage geeft inzicht op verbeterpunten op organisatieniveau.

Naast het instrumentarium biedt het portaal van het Nationaal Inzetbaarheidsplan werknemers de mogelijkheid voor online coaching.

Meer weten?
Meer informatie over het Nationaal Inzetbaarbeidsplan vindt u hier.
Voor meer informatie over de visie en overige dienstverlening van Falke & Verbaan op gebied van duurzame inzetbaarheid: klik hier.

Column: Hoezo bedrijfsartsen tekort?

Afgelopen weken is er nogal wat media-aandacht geweest naar aanleiding van een artikel in het FD (2-1-2013) over het te verwachten tekort aan bedrijfsartsen. Opeens is er belangstelling voor een dreigend tekort aan bedrijfsartsen! Maar er is ook een tekort aan verzekeringsartsen, huisartsen en nog veel meer artsen.

Sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw is het artsenoverschot gewoon verdwenen. Een oorzaak van de grotere vraag naar artsen is de vergrijzing, maar is ook een gevolg van het feit dat meer artsen (vrouwen en mannen) parttime willen gaan werken. Het huidige tekort aan bedrijfsartsen is daar geen uitzondering op. Maar nu wordt dit als een allesoverheersend probleem gezien. Is dat wel reëel?

In België, waar ook een tekort aan bedrijfsartsen is (terwijl Belgische artsen alleen keuringen doen) is een nog groter en zelfs nijpender tekort aan huisartsen. Daar gaan stemmen op om meer artsen op te leiden voor de eerste lijn en minder artsen tot klinisch specialisten. In Nederland zien we ook een degelijk fenomeen: afgestudeerde urologen komen niet aan de bak.

Daarentegen is het verzuim in Nederland op het laagste niveau sinds de privatisering van de Ziektewet in 1994. En dat terwijl het verzuim in Nederland in de periode daarvoor tot het hoogste ter wereld behoorde. Men zou dus verwachten dat er juist minder artsen nodig zijn.

Echter, de NVAB (beroepsvereniging voor bedrijfsartsen) stelt – overigens terecht – al jaren dat andere werkenden zoals ZZP-ers, mantelzorgers en huisvrouwen verstoken zijn van bedrijfsgeneeskundige zorg. Vanuit die nieuwe doelgroepen zelf is die roep nauwelijks hoorbaar. Ze richten zich zelfs meer op de huisarts bij werkgerelateerde problemen en zien jammer genoeg niet de toegevoegde waarde van de bedrijfsarts.

In vergelijking met het buitenland heeft Nederland de meeste bedrijfsartsen per 1000 werknemers!
Is er dan helemaal geen probleem? Jawel, maar het is al jarenlang een kwalitatief probleem. Dit probleem is veroorzaakt door een grote vraag naar bedrijfsartsen die kunnen adviseren vanuit een breder kader. Door de vergrijzing en lage instroom wordt dit tekort groter. Het échte probleem wordt versterkt door een gebrek aan effectieve samenwerking tussen bedrijfartsen, huisartsen en UWV wat veroorzaakt wordt door wet- en regelgeving hetgeen een betere rolverdeling bij verzuim, preventie en behandeling tegenhoudt. De rolverdeling tussen UWV en bedrijfsartsen kan veel efficienter door de rol van de UWV verder te beperken tot toezichthouder in plaats van uitvoerder en de curatieve artsen te verplichten relevante informatie te verstrekken tijdens verzuim aan de bedrijfsarts. Nu moeten de laatsten er om bedelen, voor betalen en soms onnodig lang wachten, wat in niemands belang is.

De huidige discussie dreigt weer een beroepsgroepenaangelegenheid te worden. In de plaats daarvan zouden we een aantal aanpassingen van ons zorg- en sociale stelsel moeten aandurven, Dit wil niet automatisch zeggen dat ons stelsel slecht is, dit wordt zelfs bevestigd door internationale onderzoeken. We hebben het laagste verzuim in Europa, de beste arbeidsomstandigheden en we zijn nog gelukkiger ook, voor wat het waard is.

Dat het vak van bedrijfsarts niet populair is lossen we niet alleen op door overheidsmaatregelen, maar vooral door het imago bij studenten en de samenleving zichtbaar te verbeteren. Laten we niet vergeten dat er ook een niet onaanzienlijke categorie bedrijfsartsen is die zeer gewaardeerd wordt, professioneel uitstekend functioneert en daar ook nog een goede boterham mee verdient.

Reijer Pille
Falke & Verbaan