Nieuws
Astri-rapport over bedrijfsarts aanleiding voor maatschappelijke discussie?
Dit artikel is geschreven op 29-8-11
Onlangs is het Astri-rapport uitgekomen over de positie van de bedrijfsarts in Nederland met een aanbeveling aan de minister. Aanleiding voor het onderzoek door Astri waren vragen die met name door de FNV naar voren waren gebracht in de SER.
De FNV plaatst kritische kanttekeningen bij de toegankelijkheid en onafhankelijkheid van de bedrijfsarts in Nederland en pleit voor een werknemersarts die niet meer rechtstreeks door de werkgever betaald wordt. In dezelfde periode doet de NVAB-beroepsvereniging voor bedrijfsartsen uitspraken over de wenselijkheid voor een preventiefonds en financiering van de bedrijfsarts vanuit de zorgverzekeringswet.
Dit standpunt van het NVAB-bestuur blijkt echter niet geheel gedeeld te worden door de eigen leden, om het maar voorzichtig uit te drukken. Dit neemt niet weg dat er wat aan de hand is met de rol en de toekomst van de bedrijfsarts. Het Astri-rapport bevestigt dit, maar brengt de veronderstelde problemen ook terug tot reële proporties en een aantal praktische aanbevelingen. Het rapport is degelijk en geeft een goed beeld van de werkelijkheid. Het rapport werpt het licht op een aantal opmerkelijke zaken die ik hieronder nader zal toelichten, omdat ze mijns inziens bevestigd worden door andere onderzoeken en ervaringen.
Werkgever en werknemer geven dezelfde rapportcijfers aan de bedrijfsartsen, namelijk 7.1. Dit wordt bevestigd door een onderzoek van Immediator onder zelfstandige bedrijfsartsen, waar zowel leidinggevenden als medewerkers de bedrijfsarts een 7.8 gaven. Kritiek op adviseurs in een duaal klantensysteem is inherent aan dat duale systeem. Dat partijen in gelijke mate tevreden en ontevreden zijn pleit ervoor dat het systeem werkt.
Bedrijfsartsen in dienst van externe arbodiensten voelen zich meer in een keurslijf zitten en onder druk gezet door opdrachtgever (zowel de klant als het eigen account-management) dan artsen in dienst van interne arbodiensten en zelfstandige bedrijfsartsen.
Iets vergelijkbaars werd reeds vastgesteld door onderzoekers van VU medisch centrum in opdracht van de NVAB. De mate waarin bedrijfsartsen voldoening en werkplezier ondervonden, was het grootst bij zelfstandige bedrijfsartsen.
Bedrijfsartsen zien voor zichzelf een grotere rol bij preventie, maar de toegankelijkheid is onvoldoende. Verondersteld wordt dat zowel arbodiensten als opdrachtgevers dit onmogelijk maken. De afschaffing van het open arbospreekuur zou hier debet aan zijn. Er wordt er dan ook voor gepleit dit weer voor iedereen verplicht te stellen. Mijns inziens is dit maar een deel van de oplossing. Het is inderdaad zo dat in het MKB de toegang tot de bedrijfsarts minder goed geregeld is. Dit is vooral een logistiek probleem en niet een financieel probleem, zoals vaak verondersteld wordt. Ook de werkwijze van veel casemanagementbureaus versterkt - gewild of ongewild - dit effect. Bij grote ondernemingen is dit veel minder een issue. Bij organisaties die werken met de maatwerkregeling (zonder gecertificeerde arbodienst) en bedrijven met een interne arbodienst, is dit een non-issue. Deze bedrijven beschouwen veelal vrije toegang naar de bedrijfsarts als een grondrecht van de werknemer en zo hoort het ook. Het invoeren van het verplichte arbospreekuur is dan ook niet nodig, indien vrije toegang tot een bedrijfsarts voor iedere werkende geregeld is.
Daarmee komen we op een andere klacht die je hoort vanuit de vakbeweging en NVAB, namelijk de doorgeschoten marktwerking waarvan met name de grote arbodiensten de schuld krijgen. Dit is mijns inziens te kort door de bocht en legt onterecht de zwarte piet bij de arbodienstdirecties, hoewel ze via hun branche-organisatie BOABOREA hier meer tegen hadden kunnen doen. De zogenaamde doorgeschoten marktwerking is grotendeels een gevolg van de Europese aanbestedingen in de publieke sector, waardoor een neerwaartse prijsspiraal is ontstaan.
De onafhankelijkheid van de bedrijfsarts.
Dit was een van de belangrijkste redenen om het onderzoek door Astri te laten plaatsvinden. Dit vraagstuk is inherent aan het duale klantensysteem dat de Nederlandse bedrijfsarts heeft in tegenstelling tot zijn collega’s elders in Europa. De tevredenheid onder werkgever en werknemer blijkt echter helemaal niet zo slecht te zijn, eerder het tegenovergestelde. De conclusie van de FNV-enquête dat de Nederlandse werknemer zijn bedrijfsarts niet vertrouwt, lijkt dan ook overtrokken, afgezien van reële klachten over schending van beroepsgeheim, etc. Maar daar zijn de tuchtrechter, het CBP, etc. voor. Vooralsnog lijkt de bedrijfsarts geen ongunstige uitzondering, vergeleken met andere medische beroepsbeoefenaars, accountants en advocaten.
Hiermee komen we op de kern van de zaak. De discussie over de positionering van de bedrijfsarts in Nederland is ondergeschikt aan het maatschappelijk debat over de toekomst van ons stelsel van sociale zekerheid.
Het Astri-rapport vormt géén aanleiding om de bedrijfsarts in discrediet te brengen, maar draagt wel de oplossing aan voor een aantal knelpunten. Het laat ook zien dat een discussie over de positionering van de bedrijfsarts in Nederland niet los gezien kan worden van het maatschappelijk debat over de toekomst van onze sociale zekerheid en verzorgingsstaat. De uitkomst hiervan is pas echt bepalend voor de positie van de Nederlandse bedrijfsarts.
Reijer Pille
Directeur Falke & Verbaan

